Video livestream

Nieuws

UPDATE: Verlaagd btw-tarief voor livestreams van voorstellingen?

01-04-2021

UPDATE 1 april 2021

Op 30 maart 2021 heeft Staatssecretaris van Financiën aanvullende vragen van Kamerleden Leijten en Kwint (SP) beantwoord over het btw-tarief voor digitale popevenementen (zie downloads). Hij blijft bij zijn standpunt dat 21% btw gerekend moet worden, omdat digitale popevenementen kwalificeren als elektronische diensten. Een eventuele goedkeuring voor toepassing van het verlaagd btw-tarief zou geen steun vinden in het arrest-Geelen en zou in strijd zijn met de Btw-richtlijn. Verder zou het ongewenste uitstralingseffecten hebben naar alle andere elektronische diensten buiten de culturele evenementen (bijvoorbeeld het streamen van muziek, series en films). Er zouden dan afbakeningsproblemen ontstaan, omdat er geen duidelijke definitie is van de prestatie "online culturele diensten".

Wij zijn echter van mening dat er nog steeds goede argumenten zijn waarom het verlaagde btw-tarief van 9% wel geldt voor livestreams:

  • Met de kaartverkoop wordt er (afzonderlijke) toegang verleend tot muziek- en toneeluitvoeringen op grond van artikel 9 lid 2 onderdeel 1 jo. Tabel I, post B-14, onderdeel d Wet OB.
  • Een directe verwijzing naar de Europese Btw-richtlijn is juridisch niet mogelijk. In de Nederlandse Wet OB zijn de twee bepalingen over elektronische diensten niet overgenomen en rechtstreekse werking van de Btw-richtlijn ten nadele van de belastingplichtige is niet toegestaan.
  • Het streamen van digitale popevenementen is geen elektronische dienst in de zin van de Btw-richtlijn op grond van artikel 7 Uitvoeringsverordening EU, Nr. 282/2011. Voor een elektronische dienst is slechts gering menselijk ingrijpen nodig en aan die definitie voldoet de streaming van digitale popevenementen niet, want daarvoor moet juist wel veel worden gedaan. Streaming is naar onze mening vergelijkbaar met radio- en televisieomroepdiensten, die volgens artikel 7 lid 3 onderdeel a Uitvoeringsverordening EU niet als elektronische dienst zijn aan te merken.
  • De Staatssecretaris van Financiën is van mening dat uit de zaak-Geelen (HvJ 8 mei 2019, nr. C-568/17) niet is af te leiden dat alle live streaming is uitgezonderd van het begrip elektronische diensten. Maar er staat wel in dat bepaalde online diensten niet als elektronische diensten worden aangemerkt en dat had hij kunnen gebruiken.
  • De Staatssecretaris van Financiën is inconsequent, want hij heeft voor online sportlessen eerder wel het verlaagde btw-tarief toegestaan (Besluit noodmaatregelen coronacrisis). Klaarblijkelijk ziet hij dat niet als een elektronische dienst. Ook gaat hij voorbij aan de voorwaarde voor "het gelegenheid geven tot sportbeoefening" dat een sportaccommodatie ter beschikking gesteld moet worden, waarbij bij een online sportles geen sprake is. Hij kan dus wel uitzonderingen maken.
  • Dat geldt ook voor het verlaagde btw-tarief voor mondkapjes, want daarmee heeft de staatssecretaris de EU-regels eveneens genegeerd.

Onze conclusie is dat het standpunt van de staatssecretaris onjuist is en dat livestreams van voorstellingen wel onder het verlaagde btw-tarief van 9% vallen.

Hoe nu verder? Drie mogelijkheden: (1) wel 9% btw toepassen en wachten op een belastingcontrole, waarna bij correctie bezwaar en beroep kan worden aangetekend, (2) 21% btw afdragen, maar binnen 6 weken bezwaar maken tegen de eigen btw-aangifte, want dan gaat bezwaar en beroep direct beginnen, en (3) het standpunt van de staatssecretaris accepteren.

Btw