13-02-2011 / Theater en vennootschapsbelasting

Op 12 januari j.l. deed Rechtbank Breda uitspraak in een zaak over de vennootschapsbelasting (VPB) van een theater. De rechtbank besliste dat het theater met z'n jaarlijkse overschotten als ondernemer o.g.v. art. 2 Wet VPB was aan te merken. Was dit niet het geval geweest, dan had het theater onder het ruimere ondernemingsbegrip van art. 4 Wet VPB gevallen. Het baatte niet dat andere theaters niet onder de VPB vielen.

Wel besliste de rechtbank dat bij een theater een algemeen maastchappelijk belang op de voorgrond staat (r.o. 4.6.2). De winst was echter te hoog voor de vrijstellingsgrens van € 7.500 per jaar (of € 37.500 per 5 jaar), ook na aftrek van de fictieve vrijwilligerskosten, waardoor de vrijstelling van art. 6 Wet VPB niet van toepassing was. Maar vanwege het algemeen maatschappelijk belang mocht het theater wel de fictieve vrijwilligerskosten (tegen het minimumloon) en de herbestedingsreserve van de winst aftrekken. Er bleef daardoor slechts € 11.677 van de € 110.196 winst als belastbaar bedrag over. Dat het gehele theater van zichzelf verlieslijdend was en slechts met subsidie kon bestaan, was onvoldoende om ook voor het laatste bedrag een herbestedingsreserve te mogen vormen.

Een belangrijke uitspraak voor theaters, concertzalen, poppodia en -festivals. Die vallen namelijk meestal o.g.v. art. 2 of 4 onder de VPB, hetgeen behoorlijk kostbaar kan zijn. Maar zij kunnen ook gebruik maken van de vrijstelling van art. 6 of de aftrekposten van art. 9 en 12 Wet VPB. Het vraagt echter wel een zorgvuldige aanpak om hier voor in aanmerking te komen.

Qua belang, momenteel zijn de tarieven VPB 20% (voor winsten tot € 200.000) en 25% daarboven. Die tarieven waren vóór 2007 ca. 5% hoger. De Belastingdienst kan 5 jaar terug gaan met aanslagen opleggen, dus nog tot het jaar 2006. In deze zaak scheelde de uitspraak ca. € 25.000 VPB per jaar.

Categorie: Geefwet, ANBI- en CI-status en VPB

« Terug