11-11-2014 / Gage, auteursrechten en twee BTW-tarieven

 

De laatste tijd was er rumoer rond het BTW-tarief dat bij optredens over doorberekende auteursrechten moet worden gerekend. Is dat ook 6% BTW, omdat het bijkomende kosten bij het optreden zijn, óf is het 21%, omdat het een andersoortige prestatie is? Wij dachten dat het duidelijk was dat het 6% BTW moest zijn, omdat het Ministerie van Financiën op 28 februari 2002 op onze vraag na invoering van het lage BTW-tarief voor "het optreden door uitvoerende kunstenaars" had geantwoord dat art. 8 van toepassing is, namelijk "tot de vergoeding behoort alles dat ter zake van de prestatie in rekening wordt gebracht". Dus ook op bijkomende kosten bij de gage moet 6% BTW worden gerekend. Zie bijgaand in de downloads onderdeel 3 van onze brief van 17 januari 2002 en het antwoord van het ministerie van 28 februari 2002.

Maar de Belastingdienst Haarlem vond in januari 2013 dat dit anders moest zijn, namelijk dat over de auteursrechten 21% BTW gerekend moest worden, omdat auteursrechten een andere prestatie zijn dan de gage voor het optreden. Daarop heeft CLC VECTA (met onze hulp) een brief gestuurd naar het Ministerie van Financiën, onder verwijzing naar 2002, waarna het ministerie dit bij de Belastingdienst Utrecht neerlegde, die op 15 juli 2014 voor heel Nederland besliste dat de Belastingdienst Haarlem gelijk had, dus dat over auteursrechten 21% BTW gerekend moet worden, naast de 6% BTW over de gage voor het optreden (+ bijkomende kosten). Zie bijgaand in de downloads deze brief van 15 juli 2014.

Wij hebben daarop nog eens een brief gestuurd naar het Ministerie van Financiën, maar dat bevestigde op 1 oktober 2014 het standpunt van Belastingdienst Utrecht. Zie bijgaand in de downloads onze brief + het antwoord van het ministerie.

Het voorgaande oogt dramatischer dan het in de praktijk is, want er is bijna nooit een financieel nadeel van dit hogere BTW-tarief. Dat komt omdat de BTW op de recette van een voorstelling nog steeds volledig 6% blijft, want dat staat in Post B-14 van Tabel I bij de Wet OB en is niet veranderd. Dus een theater, podium of andere organisator moet nog steeds gewoon 6% BTW uit de recette halen. Het publiek heeft niets met het onderscheid gage - auteursrechten van doen, maar koopt alleen een kaartje voor een voorstelling.

In de volgende fase, namelijk tussen theater/podium/andere organisator en artiest/gezelschap/bureau gaat het onderscheid wel een rol spelen, dus daar moet over de gage + bijkomende kosten 6% BTW (volgens Post B-17 van Tabel I bij de Wet OB) , maar over de auteursrechten 21% BTW gerekend worden. Maar in die relatie is het BTW-tarief irrelevant, want de berekende BTW kan door het theater/podium/andere opdrachtgever als voorbelasting worden teruggevraagd, dus dat kost niets. Alleen als het theater/podium/andere organisator vrijgesteld zou zijn van BTW is de BTW wel een kostenpost, maar dat komt volgens ons nauwelijks voor.

Zie bijgaand in de downloads twee berekeningen. De eerste komt het meeste voor, namelijk dat het theater/podium/andere organisator zelf de BTW afdraagt van de recette en dat er daarna een splitsing gemaakt wordt tussen auteursrechten en gage. Sommigen hanteren echter de tweede mogelijkheid en schuiven de recette incl. BTW door naar de artiest/gezelschap/bureau, waarna zij zaalhuur en andere kosten in rekening brengen (+ 21% BTW). De artiest/gezelschap/bureau moet dan zelf 6% BTW over de recette afdragen en mag de 21% BTW over de kosten terugvragen. Maar bij beide berekeningen zijn er geen nadelige gevolgen, omdat op de recette steeds volledig het tarief van 6% BTW kan worden toegepast.

Geen nadeel dus, maar wel meer administratief gedoe.

Categorie: Diversen

« Terug